HOOFDSTUK 40 @BRK#Cassandra besloot, terwijl de man de brug overstak, ergens anders op te mikken. Ze draaide nog een laatste keer met haar slinger, keek nog eens goed naar de man die de diepte aan het overbruggen was, en vuurde af. Het schot raakte hem vol op zijn linkerknie, en het kraken van de botten ging door merg en been. De knie kon meteen geen enkel gewicht meer dragen en de man zakte opzij, verloor de greep op zijn speer en kwam boven een gat van zeven verdiepingen diep te hangen. Hij klauwde uit alle macht naar de muur voor houvast. Maar dat vond hij niet. Met een ijzingwekkende kreet viel hij in het peilloos diepe gat naast de provisorische brug, het donker in, en hij bleef het uitschreeuwen tot ze ver beneden een doffe dreun hoorden. Toen was het stil. Het luik in de houten plaat sloeg met een klap weer dicht. De man die als volgende aan de beurt was had gezien hoe het met zijn kameraad was afgelopen, en hij had geen enkele belangstelling om ook zulke risico’s te lopen. Cassandra hoorde iemand op hoge toon bevelen uitdelen. Dat was Dimon, besefte ze. ‘Meer rookpotten! We hebben hierboven meer rook nodig! Als ze ons niet kunnen zien, kunnen ze ons ook niet neerschieten!’ De rook trok door de openstaande deur boven enigszins weg, maar was nog altijd zo dik dat de ogen van Cassandra en haar schutters prikten en traanden. Door de open deur tochtte het nu wel flink, en die tocht zoog de ergste rook uit het trappenhuis weg. Het was even rustig, maar ze hoorde op de trap beneden wel voetstappen van rennende mensen. Dat waren natuurlijk de mannen die extra rookpotten gingen halen. Merlon keek even naar de vervangende brug. ‘Kunnen we die niet in brand steken, vrouwe?’ vroeg hij. Ze dacht er even over na, maar verwierp het idee toen. Het was massief hout. ‘Het duurt te lang voordat die vlam vat,’ zei ze. ‘En ik denk niet dat ze ons in die tijd met rust zullen laten.’ Ze wist dat Dimons mannen ook bogen hadden. Ze waren misschien niet zo goed als die van haar, maar op zo’n korte afstand konden ze nauwelijks missen. Ze zag in het duister aan de andere kant van de loopplank een vonk van vuursteen op staal. ‘Ze steken de lonten aan,’ zei ze. ‘Allemaal klaarstaan!’ Ze bond haar sjaal om haar neus en haar mond. Ze draaide zich naar de jongste van haar mannen en wees naar boven. ‘Haal sjaals en zakdoeken voor iedereen. En een emmer water om ze in nat te maken.’ Een natte sjaal voor neus en mond was vast goede bescherming tegen die verstikkende rook, dacht ze. Hij knikte, draaide zich om en liep lichtvoetig de trap op. Ze hoorde Dimon weer bevelen uitdelen. ‘Niet te ver gooien! Ze moeten zo dicht mogelijk bij het eind van de brug komen te liggen.’ Daarmee zou de meeste rook terechtkomen rond de plek waar zij nu stonden, besefte ze, en hadden de mannen van Dimon ook de beste dekking. Ze legde een volgend kogeltje in haar slinger en liet het wapen langs haar heup bungelen, heen en weer bewegend als een slangenkop en klaar om toe te slaan. De eerste rookpot vloog over de kloof en landde vier treden boven de loopplank. Voordat de olie en pek vlam konden vatten stak Merlon zijn piek uit en duwde hij het projectiel de trap weer af, waar het in de gapende diepte verdween. Hij moest voor die actie wel boeten. Nog voordat Cassandra hem met zijn krachtige ingrijpen kon feliciteren, liet hij zijn piek vallen en schreeuwde hij het uit van de pijn. Hij greep geschrokken naar zijn bovenarm, waar een pijl uit een kruisboog hem had geraakt. Hij zakte op de trap ineen. Cassandra stak haar hand uit en pakte hem bij zijn hemd. Met alle kracht die ze in zich had wist ze hem veilig de bocht om te slepen. Een tweede pijl ketste af op de traptree waarop hij even eerder ineen was gezakt. Hij schreeuwde het uit van de pijn toen ze hem omhoogtrok, maar hij slaagde er desondanks in haar te bedanken. Hij begreep dat ze zijn leven had gered. ‘Ik had geen keus,’ zei ze. ‘We hebben je veel te hard nodig.’ Er vloog een volgende rookpot over de kloof. Deze sloeg een stuk hoger op de trap kapot. Er kwam een dikke rookwolk vanaf, maar boven was iemand zo slim om de deur weer open te doen, zodat de tocht het overgrote deel van de rook wegzoog. De jonge krijger was inmiddels terug, met sjaals, zakdoeken en een emmer vol water. Hij verdeelde de natte doeken onder zijn kameraden, die ze voor hun mond en hun neus bonden. Hij was net op tijd, want vrijwel op hetzelfde moment sloegen er nog twee rookpotten stuk op de trap. Deze waren beter gemikt, want ze raakten de stenen muur ter hoogte van waar Cassandra zat. Ze doopte snel haar sjaal in het water en bond hem weer om. De natte doek filterde de rook wel enigszins, maar haar ogen jeukten en traanden, en ze kon nauwelijks iets zien. Een van de potten had zijn lading olie en pek vlak naast haar gedeponeerd. De jonge krijger aarzelde niet, pakte de nog altijd halfvolle emmer en gooide die over de brandende pek heen. De vlammen waren op slag verdwenen. ‘Goed werk!’ sprak ze met hese stem. Ze gebaarde naar boven. ‘Zorg voor meer water! Zet een ketting met emmers op!’ Hij knikte. Zelf had hij ook rode, tranende ogen, maar hij rende weg om te doen wat ze gevraagd had. De vlammen naast haar waren maar tijdelijk gedoofd. Het water had het vuur even de lucht ontnomen, maar de hitte was niet verdwenen. Even later brandde de pek weer en kwam het trappenhuis opnieuw blauw van de rook te staan. Met haar betraande, prikkende ogen zag ze het luik in de houten plaat weer opengaan en er een volgende vijand uit komen. Ze stelde blij vast dat de loopplank zo smal was dat er maar ruimte voor één man tegelijk was. Maar als iemand de overkant zou weten te bereiken was de ellende niet te overzien, begreep ze. Ze draaide haar slinger een paar keer rond en schoot haar kogel op de man af. Hij hield zich echter goed verstopt achter zijn schild en vormde dus een lastig doelwit. De kogel raakte met een doffe klap zijn schild. De dreun bracht hem even uit zijn evenwicht, maar hij herstelde zich en liep verder naar voren. Er suisden nog twee rookpotten over de kloof en de giftige rook die dit aan de stinkende walmen toevoegde, zorgde dat het trappenhuis langzaam maar zeker in een soort hel op aarde veranderde. Het schild van de man werd door drie pijlen tegelijk geraakt en hij aarzelde. De smalle loopplank bood niet echt veel houvast en de oversteek vereiste uiterste concentratie, zeker terwijl er pijlen op hem af werden geschoten en het zicht beperkt was. ‘Opzij, vrouwe,’ zei een schorre stem achter haar. Cassandra draaide zich om en zag een van haar mannen, een lange korporaal met brede schouders, met een piek in zijn handen staan. Hij keek strak naar de man in aantocht, die inmiddels twee derde van de oversteek had voltooid en gestaag voortschuifelde. Cassandra stapte opzij om de korporaal de ruimte te bieden. Hij bracht zijn wapen over zijn rechterschouder naar achteren en met zijn ogen nog altijd op zijn doelwit gericht mikte hij de piek zo hard mogelijk op de vijand. Het projectiel vloog door de rook en trof de man hard in zijn onderbeen. Hij schreeuwde het uit van de pijn, stopte en zakte half door zijn knieën. Hij liet zijn strijdbijl vallen en greep naar de wond. De zware piek zat aan de ene kant vast in zijn been en bungelde aan de andere kant boven het diepe gat onder de trap. Hij voelde hoe het gewicht van de piek hem langzaam de diepte in probeerde te sleuren. Hij trachtte de piek los te trekken, maar dat lukte hem niet. Hij zat hopeloos in de val. Hij kon niet meer opstaan, wankelde akelig dicht bij de afgrond en werd bestookt door een spervuur aan pijlen, die om zijn oren heen vlogen en in de loopplank onder zijn voeten insloegen. Beschermd door zijn schild en zich afzettend met zijn vrije hand en zijn niet-gewonde been, schuifelde hij onhandig terug naar beneden. Zijn schild zat inmiddels helemaal vol met pijlen, want de boogschutters bleven hem onverminderd beschieten. Pijlen uit kruisbogen vlogen intussen de andere kant op en een ijselijke kreet van boven maakte Cassandra duidelijk dat ten minste één daarvan doel had getroffen. Een toevalstreffer, besloot ze. De aanvallers konden net zo weinig zien als de verdedigers. De lucht boven de loopplank was relatief schoon, want daar blies de tocht door het trappenhuis de rook redelijk weg. Maar verder maakten de dikke rookwolken het vrijwel onmogelijk om echt op iemand te kunnen mikken. De gewonde man op de loopplank wist zichzelf terug naar beneden te slepen en liet zich tegen het gesloten luik in de houten plaat zakken. Hij bleef zijn schild voor zich houden, want het afschieten van pijlen ging van bovenaf onverminderd door. Intussen stroomde het bloed uit de wond van de piek in zijn onderbeen. Een pijl raakte hem in zijn rechterarm en opnieuw schreeuwde hij het uit. Maar zijn stem klonk onvast en Cassandra begreep dat het bloedverlies hem inmiddels flink had verzwakt. Ineens vloog het luik open en schoten verschillende armen naar buiten. De gewonde man werd naar binnen getrokken, maar onmiddellijk vloog er ook een heel salvo aan pijlen door het luik. Cassandra zat een tijdje ingespannen naar de loopplank te kijken en verlegde haar aandacht toen naar de piek die Merlon had laten vallen. De vijandelijkheden lagen even stil, want noch de boogschutters boven, noch de mannen van Dimon hadden op dat moment een duidelijk doelwit om op te mikken. Cassandra en haar mannen hadden al een poging gedaan om de loopplank weg te duwen, maar de dwarsbalk aan de onderkant had zich om de rand van de onderste traptree vastgehaakt en was niet meer in beweging te krijgen. Aan de andere kant van de plank zat echter niet zo’n balk, zag ze. Niets weerhield hen er dus van om de plank naar boven te trekken in plaats van naar beneden te gooien. Ze keek even achterom en moest prompt hoesten, want er hing nog altijd dikke rook in het trappenhuis. De lange korporaal die zo doeltreffend met zijn speer was geweest stond nog vlak achter haar. Hij was bij uitstek geschikt voor het plan dat ze had bedacht. Ze riep hem bij zich en wees hem op de piek van Merlon die nog op de trap lag. Een piek was een combinatie van verschillende wapens. Aan het uiteinde van een tweeënhalve meter lange stok zat aan de ene kant een bijlhoofd, in het midden een speerpunt en tegenover het bijlhoofd een gemene haak. ‘Zie je die piek?’ zei ze. De man knikte en ze wees op de loopplank. ‘Steek de punt ervan op mijn teken zo diep mogelijk in het hout en trek de plank naar ons toe. Snap je dat?’ De man knikte en glimlachte, want hij snapte het maar al te goed. Als hij de loopplank ver genoeg naar zich toe kon trekken zou die aan de onderkant losschieten, en dan stortte het hele bouwwerk in het diepe gat. Hij wilde al naar voren komen, maar Cassandra kon hem nog net bij zijn arm vastpakken. ‘Je hebt wel dekking nodig,’ zei ze. Ze riep de boogschutters, die zich wat hoger op de trap hadden opgesteld, bij zich. ‘Boogschutters! Snel en veel schieten! Ze moeten hun hoofden laag houden!’ Opnieuw regende het pijlen over de afgrond heen. Er was geen zichtbaar doel om op te schieten, maar de ijzeren pijlkoppen kwamen in harde botsing met de stenen muur, en daardoor werd het duister telkens even door een vonkenregen opgelicht. Verschillende pijlen belandden in het hout van de plaat waar de mannen van Dimon zich achter hadden verschanst, maar de meeste vlogen eroverheen en kaatsten op de muur erachter. Als zo’n pijl doormidden brak vlogen de vlijmscherpe koppen alle kanten op. Ze hoorden ten minste één keer iemand het uitschreeuwen van de pijn, waaruit ze opmaakten dat zo’n pijlkop doel had getroffen. De plotselinge regen van pijlen had het gewenste resultaat. De aanvallers gingen op hun buik liggen en sloegen hun handen om hun hoofd, in de hoop zich zo voldoende tegen de rondschietende pijlkoppen te beschermen. Ze liet de gespierde arm van de korporaal los. ‘Nu!’ zei ze en hij stormde naar voren. Hij raapte de piek op, knielde en tilde het wapen met twee handen boven zijn hoofd. Daarna liet hij het zo hard als hij kon op de loopplank vallen, zodat de lange punt zo diep mogelijk in het hout doordrong. Toen die eenmaal vast zat, kwam hij een stuk overeind en begon hij de plank heel langzaam, centimeter voor centimeter, naar zich toe te trekken. Na een tijdje begrepen de aanvallers wat er aan de hand was, en Cassandra zag onder het houten schot door hoe wanhopig graaiende handen probeerden de plank vast te pakken en tegen te houden. Ze kwam razendsnel uit de dekking en pakte de korporaal aan zijn riem vast. Zo konden ze samen meer kracht zetten, en ze voelde dat achter haar iemand anders hetzelfde bij haar deed. Ze keek even over haar schouder en zag de jonge krijger die net water had gehaald. ‘Trekken!’ riep ze. ‘Zo hard als je kan!’ Met hun verenigde kracht kwam de plank steeds sneller omhoog, tot de onderrand ervan losschoot van de tree onder hen. Onmiddellijk zakte het hele geval naar beneden en tuimelde het de diepte in, met de piek erbij. De korporaal dacht er nog net op tijd aan om los te laten, waardoor ze alle drie achterovervielen. Heel even luisterden ze hoe de loopplank steeds verder naar beneden tuimelde. De grote plaat bonkte links en rechts tegen de muren. Het geluid werd steeds zachter, tot ze een laatste klap hoorden en het stil werd. De boogschutters boven hen begonnen te juichen en te klappen toen ze zagen dat Cassandra en de andere twee zich tijdig in veiligheid wisten te brengen. Naar adem happend plofte ze tussen de anderen op de stenen trap neer. Ze grijnsde van oor tot oor. ‘Cassandra? Ben je daar?’ Het was Dimon, die haar van beneden riep. De grijns verdween. ‘Dimon, wat ben je toch een vuile rat! Je zei dat we tot morgen een wapenstilstand hadden! Je woord is dus ook al niks waard.’ ‘Ik zei dat je een dag de tijd had om over mijn aanbod na te denken!’ antwoordde hij. ‘Over een wapenstilstand, nu of wanneer dan ook, heb ik het nooit gehad. Maar mijn aanbod geldt nog steeds. Je hebt vierentwintig uur om erover na te denken.’ Ze schudde boos haar hoofd. Ze meende het, van Dimons woord. Hij had haar het gevoel gegeven dat ze veilig was, dat zij vierentwintig uur over zijn voorstel mocht nadenken – waar natuurlijk een tijdelijke wapenstilstand bij hoorde – en dat er tot de afloop daarvan geen gevaar dreigde. Haar aandacht was even verslapt en het had maar een haartje gescheeld of hij had ervan geprofiteerd. Ze begreep dat ze zich zo’n onachtzaamheid niet nog een keer kon veroorloven. ‘Je liegt en je bedriegt, Dimon,’ riep ze. Haar stem trilde van de emoties. ‘Ik geef je morgen antwoord. Tot die tijd laat je je laffe, achterbakse trucs achterwege!’ ‘Ik beloof niets,’ antwoordde hij. Er klonk een kwaadaardig genoegen in zijn stem door. Ze wierp een vermoeide blik op de korporaal die nog altijd naast haar stond. ‘Intussen moeten we met deze vijand op elke vorm van verraad verdacht zijn,’ zei ze zachtjes tegen hem.